1

Las Viñales

Dit is geen verhaal voor zachtgekookte eitjes, die we in Havana hebben gelaten. Dit is een verhaal over rum, over sigaren. Over plantages en paarden. En cowboys met baarden. Dit is een verhaal over Viñales. Een dorp, met traditionele waarden. 

Viñales ligt drie uur bij Havana vandaan. We worden opgehaald in een normale auto. Dat wil zeggen: geen glanzende, zeventig jaar oude Chevrolet in een knalkleur, maar een gewone taxi. Een oude (we zullen geen getallen noemen), dat wel. Weer eens wat anders. Met een chauffeur die de oren van ons kop kletste. Lees: Lynn’s kop, want alle gesprekken zijn in het Spaans. Lynn sprak al Spaans, maar kan het nu ook met een Cubaans dialect verstaan. Lekker local. Terwijl Lynn van alles leert over de flora en fauna op de route en haar ogen uitkijkt, kan Britt achterover leunen en op haar manier genieten. In slaap vallen dus. 

We rijden op de mooiste weg ooit (volgens Lynn). Supergroen, met zoveel verschillende prachtige bomen en de mooiste oude auto’s die we tegenkomen. Van lichtblauwe tot mintgroene, rood met witte, het is echt alsof we in een film zitten, continu. Na drie uur rijden we het dorp in (waarvan Britt er vier heeft geslapen). Ook de huizen zijn gekleurd en waar vroeger het roze huis van Pippi Langkous de droom was, is hier een nieuwe droom ontstaan: wel een roze, maar een Cubaans huis, met bogen en schommelstoelen voor de deur. Precies het huis waarbij we aankomen. Onze casa voor de komende drie dagen. 

We worden meteen verwelkomd met een kopje koffie door de liefste, meest gastvrije mensen. Een gezin met twee kinderen, die ons ontvangen alsof we ze al jaren kennen. 

De dagen die volgen, zijn steeds hetzelfde in onze casa. Soms zitten we in de keuken, soms in de woonkamer, soms in de tuin of op het dakterras, maar meestal zijn we op pad. We slapen in een gezellige kamer, met eigen badkamer. We wonen er, maar we wonen er niet. We kunnen helemaal ons eigen ding doen en zij ook. Het voelt een beetje alsof we weer samen op kamers wonen in Utrecht. We wonen met anderen maar zijn vooral de hort op. Af en toe wordt er gekookt of een vluchtige “hola” geroepen in het voorbijgaan. Soms zit de kamer ineens vol met vrienden. Soms is er niemand. Het voelt dus een beetje als thuis, maar zodra we de deur uitlopen, zien we dat het geen Utrecht is. Of Nederland, überhaupt. 

We worden na aankomst vrijwel meteen opgehaald door een gids, met een brommertje met kar erachter. Hartstikke normaal. We rijden, met twee andere toeristen, naar de bergen, waar we een prachtige zonsondergang verwachten. Als we nog geen drie minuten onderweg zijn (Britt weer wit aan, want die had licht gepakt), begint het te regenen. Ze hadden ons al gewaarschuwd, maar in dezelfde zin als: “maar dat zal wel niet want het regent nooit in maart”. Dus wij hebben de regenjassen -die we ook maar voor de vorm hebben meegenomen omdat ze op de Cuba paklijst stonden, maar niet nodig zouden hebben want “het regent nooit in maart”- niet meegenomen deze hike. Ach. We zijn al maanden niet anders gewend in Nederland, dus dat we überhaupt de zon zagen de afgelopen dagen was al een geluk. 

En zo wandelen we in de stromende regen, door de modder, naar een uitkijkplaats voor de zonsondergang. De ondergang van de zon was een paar uur eerder al gaande, dus het was meer een uitkijkplek over grijze wolken en bergen in de verte, waar we op een schommelstoel wachten tot de regen ophoudt. Ook mooi, want de bergen die ze hier hebben, hebben ze in Nederland dan weer niet. 

Het klaart op. We zien nu waar we eigenlijk zitten: een agri-ecologische boerderij, met overal dieren om ons heen. Kippen met kuikentjes en een zwijn met acht baby zwijntjes. Vier zwarte en vier roze, die lopen te grazen alsof hun leven ervan afhangt. Wat ook wel waar is, daar. 

Na twee uur zwijmelen is het tijd om te gaan, om de échte zonsondergang niet mee te maken en in het donker terug te moeten. Wat een plek, Viñales. En dit was pas de eerste dag hier. Verlept van de regen maar opgedroogd lopen we terug naar onze casa. Langs nóg meer kleurige oude auto’s, oude motoren en huizen in oranje en lichtblauw. Dat moeten die van Tommie & Annika zijn. 

De volgende ochtend als we opstaan staat het ontbijtje op de veranda in de achtertuin al klaar. We kijken uit op de bergen en de moestuin. En op verdachte wolken, het lijkt weer te gaan regenen -dat gebeurt hier nooit in maart- en ja, later regent het ook, weer. Nu toch die regenjassen maar mee in de tas. 

We worden na het ontbijt opgehaald door een man (Alfredo) op een rode Suzuki motor. Zo’n motor waar Brad Pitt in Benjamin Button mee aankomt gereden. Zo’n motor zoals je ze eigenlijk alleen maar in films ziet en niet in het echt, behalve op Cuba. Iets wat steeds het geval is: je ziet het in films en je ziet het op Cuba. We zagen ze al eerder voorbij rijden. De motors. En de mannen op de motors, die dan ook ineens Brad Pitt- achtige figuren worden. We hoopten er deze vakantie eens achterop te mogen. En dat moment is zojuist, op dag 3, al gekomen. 

Van Brad Pitt naar Britt Pet, want nog voordat we de motor überhaupt konden bewonderen kreeg Britt een helm in d’r handen geduwd en zat ze achterop bij Alfredo. Drie straten verderop wordt ze, ergens op een hoek, in the middle of nowhere gedropt. De helm gaat af, blikken kruisen (best leuk om te zien bij wie je nu eigenlijk achterop hebt gezeten) en Alfredo gaat verder. Lynn ophalen. Als hij bij Lynn aankomt (en dit was Lynn’s point of view) zegt de man geen hoi, maar praat alleen maar over de ogen van Britt zonder Pet.

Terwijl Britt nog rustig op Alfredo en Lynn staat te wachten, ergens in the middle of nowhere, we herhalen, ergens in the middle of nowhere, komt er een paard en wagen aangereden, met een groepje Cubanen erin en, weten we later, twee Duitsers. Na een hoop gebaren en geschreeuw (“venga! Venga! Wat Britt alleen kent van de boys en niet als opzichzelfstaand woord) begrijpt Britt dat dit haar vervoer is naar de paardenschuur waar we onze tour starten. Ergens probeert ze nog tegen te stribbelen en iets uit te roepen van “Lynn!” “Lynn komt ook nog!” Maar Lynn kennen ze daar niet en het is schijnbaar volkomen normaal om ergens op een willekeurige hoek in een Cubaans dorpje op een paard en wagen te stappen met een groep mensen die je niet kent. 

In Kerkdriel, waar we vandaan komen, deden we vroeger niet anders. Alleen was die man dan een oudoom en werd je uitgezwaaid door je familie en was je na een kwartier weer terug. 

En koffie. Iets met bonen op hoog vuur. Veel hitte, in ieder geval. En “Pinar” rum. Iets met bessen en iets met: na fles twee proef je die pas echt. We hebben de smaak te pakken, ja. 

Na deze zeer interessante, wetenswaardige en vooral indrukwekkende rondleidingen op de plantages, stortregent het inmiddels. Goed tegen de hitte. We kunnen niet verder rijden en zitten vast in een klein houten hutje, een soort saloon in the middle of nowhere. Hier moeten we wachten tot het stopt met regenen om weer op het paard verder te kunnen gaan. Terug lopen is geen optie, dan glij je zo’n beetje terug naar Nederland, zoveel modder dat er ligt. Ocherum, je zou het bijna zielig vinden. Of de beginscène van een Western. 

Zo kort als deze beginscène dan zou duren, zo lang duurt de realiteit: twee uur lang zitten we vast in deze saloon. Waar we liters koffie drinken en, hoe kan het ook anders, sigaren roken. Of proberen te roken. Lynn kan het nog steeds niet en houdt een sigaar vast alsof ze iets dodelijks vast heeft, zoals een schorpioen of iets anders giftigs. Wat dus in zekere zin hartstikke waar is en dus eigenlijk heel logisch, zo’n rokershouding. Britt is inmiddels, na twee uur, “proker”: professioneel sigaren roker. Goed voorbeeld doet volgen, zullen we maar zeggen. 

Eindelijk kunnen we verder en breekt zowaar de zon weer door. Paarden blij en wij blij, want dan zien we ook nog eens iets van de omgeving en onze billen beginnen onderhand ook blauw te worden. Cubaans blauw. Eerst van het rijden, daarna van het wachten. We rijden nog een uurtje in de zon, door de bergen en zien hoe prachtig de omgeving eigenlijk is.  God wat is het groen he, concluderen we. Een aanrader, de paardrijtour. 

‘s Avonds eten we bij de 3 J’s, een restaurantje in een gezellige straat vol met barretjes (barretjes met mensen die niets weg hebben van de echte 3 J’s of Volendam for that matter). 

Eerder die middag zijn we uitgenodigd door Cowboy “J” (puur toeval) om na het eten te komen salsadansen bij “Billies” (het is echt net een Western) maar we vinden het welletjes. Onze eigen billies hebben rust nodig en salsadansen, zeker als je dat normaal nooit doet (Lynn) of niet kan (Britt), is het laatste wat we na zes uur paardrijden kunnen en willen. 

Stiekem kunnen we, voordat we wél gaan salsadansen, dan eerst nog even een workshop gaan volgen in Trinidad, waar we over een week zijn. Dat lijkt ons in alle gevallen, voor alle partijen, toch al beter.

Om 23.00u. liggen we op bed. Deze oma’s vinden het zelfs laat. Want de volgende ochtend worden we weer vroeg opgehaald om naar Las Terraszas te gaan. Na weer een heerlijk ontbijtje op de veranda, met eindelijk het zonnetje op de bergen, staat de taxi voor de deur en rijden we een werkelijk prachtige route, door de bergen, in een vallei, met overal groen om ons heen. Het bleek exact dezelfde weg als de heenweg te zijn, alleen sliep Britt toen. Toch fijn, zo’n herkansing.